Deze website maakt gebruikt van cookies om instellingen te onthouden en om de website beter op uw behoeften af te stemmen. Klik hier voor meer informatie over cookies.

Ja, ik ga akkoord Nee, ik ga niet akkoord X
« Terug naar zoekresultaten

Balans - MATERIËLE VASTE ACTIVA

Het verloop van de materiële vaste activa is als volgt:

Materiële vaste activa

Gebouwen en
terreinen

Inventaris en
apparatuur

Andere vaste
bedrijfsmiddelen

In uitvoering

Totaal

      

Aanschafwaarde op 1 januari 2017

329.294

110.911

4.979

18.814

463.998

Afschrijvingen tot 1 januari 2017

110.813-

52.541-

2.807-

-

166.161-

Boekwaarde 1 januari 2017

218.481

58.370

2.172

18.814

297.837

      

Mutaties:

     

Investeringen

1.857

10.330

657

29.103

41.947

Gerealiseerde bouwprojecten

21.915

1.894

-

39.851-

16.042-

Afschrijvingen

8.622-

10.525-

975-

-

20.122-

Terugname bijzondere waardevermindering

8.388

-

-

-

8.388

Desinvesteringen

1.065-

9.362-

855-

-

11.282-

Afschrijving over desinvesteringen

795

9.294

855

-

10.944

 

23.268

1.631

318-

10.748-

13.833

      

Aanschafwaarde op 31 december 2017

352.001

113.773

4.781

8.066

478.621

Afschrijvingen t/m 31 december 2017

110.252-

53.772-

2.927-

-

166.951-

Boekwaarde 31 december 2017

241.749

60.001

1.854

8.066

311.670

(bedragen x 1.000 euro)

Gebouwen en terreinen

De vereniging is juridisch eigenaar van het grootste gedeelte van de gebouwen en terreinen van de scholen. Door wettelijke bepalingen kunnen de onroerende zaken, die door gemeenten zijn gefinancierd, uitsluitend na toestemming van en onder verrekening met gemeenten worden vervreemd.

Sinds 1 januari 2000 is een aantal doordecentralisatie-overeenkomsten met gemeenten afgesloten. Bij de hieronder vallende (school)gebouwen komt het economische eigendom gedurende de looptijd van de overeenkomst toe aan de vereniging. Het economisch eigendom wordt, in aansluiting op de uitgangspunten van de decentralisatie van Rijk naar Gemeenten in 1997, ten principale door Ons Middelbaar Onderwijs om niet overgenomen.

Aan de hand van financieringsmodellen worden de toekomstige kosten en vergoedingen per doordecentralisatiecontract voor de gehele contractduur inzichtelijk gemaakt om de beschikbare investeringsruimte te bepalen. Hierbij wordt uitgegaan van een aantal vaste uitgangspunten zoals een kosten- en vergoedingenindex, een interne rekenrente, een risicoreservering, vervangingsinvesteringen, verkoop van boekwaarden gronden per einde contract en eigen bijdragen vanuit scholen.

In de jaren 2012 tot en met 2016 zijn er ten onrechte bijzondere waardeverminderingen doorgevoerd op gebouwen en terreinen waarvan het economisch eigendom in het kader van doordecentralisatie bij OMO berust. De reden voor deze werkwijze betrof het feit dat uit de hiervoor genoemde financieringsmodellen bij enkele gemeenten tekorten naar voren kwamen die tot uitdrukking werden gebracht door middel van het doorvoeren van bijzondere waardeverminderingen op gebouwen en terreinen in de betreffende gemeenten. Deze werkwijze is gebaseerd op de inschatting van de waardeontwikkeling van DDC overeenkomsten over gehele looptijd van de overeenkomsten (vaak 50 jaar) en ging uit van de aanname dat er bij (tussentijdse) beëindiging sprake zou kunnen zijn van een financieel resultaat. In het verlengde van deze werkwijze zijn in het verleden verkoopwinsten op oude gebouwen als opbrengst ten gunste van het eigen vermogen verwerkt. De achterliggende gedachte hierbij was dat verkoopwinsten niet terug zouden vallen naar de gemeente, maar eventuele verliezen in de boekwaarde zouden compenseren.

Op basis van nieuwe ontwikkelingen in 2017 (nieuwe overeenkomsten, langlopende financieringen, taxaties en aanpassingen parameters) en het feit dat het uitgangspunt van OMO is dat er bezien vanuit de gehele contractduur sprake is van een financieel resultaat van nihil, is geconcludeerd dat er geen sprake kan zijn van bijzondere waardeverminderingen. Deze zijn daarom volledig teruggedraaid (positief resultaateffect van € 8,4 miljoen). Daarnaast is dit aanleiding geweest om de gerealiseerde verkoopwinsten terug te nemen en als verplichting aan te merken (negatief resultaateffect van € 16,7 miljoen). De reden hiervoor betreft het feit dat deze middelen benodigd zijn in het kader van het uitvoeren van de wettelijke onderwijshuisvestingstaak.

Het totale resultaateffect over de jaren 2012 tot en met 2016 bedraagt daarmee gesaldeerd € 8,3 miljoen. Gezien het feit dat hierbij geen sprake is van materieel foutenherstel zijn beide resultaateffecten in overeenstemming met RJ 150.203 via de staat van baten en lasten verwerkt ten laste van het resultaat 2017.

In 2017 is vanwege de ingebruikname van nieuwbouw voor 0,3 miljoen euro gedesinvesteerd op nog niet volledig afgeschreven verbouwingen van verkochte of gesloopte oude panden.

Inventaris en apparatuur / andere vaste bedrijfsmiddelen

In 2017 is er voor een bedrag van 10,2 miljoen euro aan desinvesteringen opgenomen. Hiervan heeft 10,0 miljoen euro betrekking op jaarlijkse administratieve desinvesteringen en 0,2 miljoen euro op de desinvestering van installaties en inventaris vanwege verkoop of sloop van oude panden.

Projecten in uitvoering

Gedurende de uitvoering van bouwkundige activiteiten worden de uitgaven verantwoord onder de post 'projecten in uitvoering'. Nadat de werkzaamheden zijn afgerond, worden de kosten gesaldeerd met de ter financiering ontvangen bouwsubsidies (investeringssubsidies). De projecten, die voor eigen rekening gebouwd en gefinancierd zijn, worden geactiveerd onder gebouwen en terreinen en gedurende de economische levensduur afgeschreven.

Voor een nadere toelichting op de projecten in uitvoering, kijk bij huisvestingsprojecten.

pagina opties

Mijn OMO verslag (0)